p 1 juni 1892, het jaar van zijn trouwen, vestigt de uit Friesland afkomstige Jacob Molenaar zich als zelfstandig kok in de Hamburgerstraat te Utrecht. Eerder was hij werkzaam geweest bij de gerenommeerde cuisinier Ockhuyzen aan de Kromme Nieuwegracht.

Als cuisinier levert Molenaar déjeuners, diners en soupers aan de gegoede burgerij van Utrecht. De zaken gaan zo goed dat hij in 1900 kans ziet een monumentaal herenhuis aan de Korte Nieuwstraat te kopen. In dit grote pand vinden niet alleen zijn gezin, dienstbode en pensiongast onderdak, maar Molenaar kan ook ruimte verhuren voor feesten en partijen. In 1919 is hij in staat verder uit te breiden door de aankoop van het belendende pand. In de loop van de tijd raakt zijn zaak door het hele land bekend. Als ‘deftige gesloten koks-zaak’ organiseert Huize Molenaar met name promotiediners en –recepties voor een clientèle die ‘hooge eischen’ stelt.

Door de jaren heen bouwt Jacob Molenaar een warme relatie op met de bestuurders van de stad Utrecht en zijn Universiteit. Talloze, prachtig geïllustreerde menukaarten uit die tijd zijn bewaard gebleven, waaronder een van de afscheidsmaaltijd van Burgemeester Fockema Andreae in 1933. Ter ere van diezelfde burgemeester wordt in 1939 een tentoonstelling georganiseerd, genaamd ‘Menu's en andere smakelijke herinneringen aan de Burgemeesterlijke loopbaan van Dr. J.P. Fockema Andreae’. In het bestuurlijk leven van die tijd speelden uitgebreide diners klaarblijkelijk een zeer belangrijke rol.

Tot in de jaren vijftig wordt na de promotie- of oratieplechtigheid in het Academiegebouw aan het Domplein een diner geserveerd in Huize Molenaar. In de beginjaren zijn de diners nog alleen voor heren bestemd. Wanneer ook dames de gelegenheid krijgen het glas te heffen op de jonge promovendus, worden zij apart ontvangen in de huidige Scheltemakamers op de eerste verdieping. Nog weer later kan het gezelschap gemengd plaatsnemen aan de eettafel. Maar onderscheid is er nog steeds: de dames krijgen wel een omslag van het proefschrift toegestuurd, de inhoud ervan bestaat echter uit een damesroman!

Door de ontstane band met de Universiteit is Huize Molenaar als vanzelfsprekend ook een geliefde plek voor studentenfeesten. Ook toen liepen deze feesten nog al eens uit de hand. In de jaren '20 windt Jacob Molenaar zich daar zodanig over op dat hij het wapen van de studentenvereniging dat boven de voordeur hing zonder pardon naar de sociëteit terugstuurt. Zijn boodschap lijkt duidelijk: op de klandizie van de ‘heeren studenten’ stelt hij geen prijs meer. Dit hele gebeuren veroorzaakt vervolgens zo'n rel dat zelfs de burgemeester er aan te pas moet komen.

Al direct vanaf het begin van zijn bedrijf in 1892 levert Jacob Molenaar dagelijks ‘diners aan huis’, ook wel ‘tafeltje dekje’ genoemd. Een traditie die uiteindelijk meer dan 100 jaar zou worden voortgezet. Een aantal vrouwen uit de buurt brengt de maaltijden te voet rond. Later gebeurt dit met een handkar. Het eten zit in een houder met pannetjes boven elkaar en onderin een gloeiend kooltje. Pas na de komst van een bezorgauto wordt de klantenkring tot buiten de singels uitgebreid.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, zoon Dirk Molenaar heeft het bedrijf inmiddels overgenomen, fungeert Huize Molenaar als gaarkeuken. Tegelijkertijd wordt een onopvallend zoldertje ingericht voor een aantal onderduikers. In de Lounge hangen nog altijd twee aquarellen die als dank voor de hulp tijdens de Hongerwinter 1944-1945 aan Huize Molenaar zijn geschonken. Met name uit deze tijd zijn talloze meeslepende stukken te vinden in het Utrechts Archief. Bijvoorbeeld: op 15 oktober 1945 schrijft Huize Molenaar aan een klant uit Groningen dat voor een promotiereceptie ‘een goed theesurrogaat’ geschonken kan worden. Na afloop van de receptie kan dankzij een grotere energietoewijzing een heuse warme maaltijd worden geserveerd. Omdat er nog steeds gebrek aan brandstof is en daardoor beperkte ovenwarmte wordt de klant verzocht zelf zandtaartgebakjes mee te nemen. De maaltijd was ‘bonvrij’ en kwam op fl 10,- p.p. Wel moest men zelf ook het zout leveren.

Na het overlijden van haar broer in 1948 zet Margaretha Johanna Molenaar samen met haar schoonzuster de zaak voort. In 1950 veranderen de beide dames de vennootschappelijke structuur naar een NV. Nadat haar schoonzuster zich in 1963 terugtrekt, zwaait mejuffrouw M.J. Molenaar vele jaren op karakteristieke wijze de scepter over het bedrijf. Tot op hoge leeftijd is mejuffrouw Molenaar in de gangen van Huize Molenaar te vinden. Elke avond laat zij tenminste de belangrijkste gasten persoonlijk uit. In haar kantoor ontvangt zij talloze promovendi en bruidsparen voor de bespreking van het menu. Haar favoriete gerecht is ‘Poitrine de Veau farcie rôtie à la Dauphine’
(gevulde kalfsborst). Vanaf een gegeven moment blijkt het bij de bespreking van een diner zelfs een uitdaging om iets anders te bestellen.

Na een tijd van achteruitgang ziet mejuffrouw Molenaar zich in 1972 genoodzaakt de zaak te sluiten. Een koper is moeilijk te vinden, na ruim een jaar heeft zich nog altijd geen geschikte kandidaat gemeld. Het echtpaar Schinkel-Scheltema - dat de bovenste verdieping van het huis huurde - besluit het pand te kopen en de zaak voort te zetten. In de loop der jaren wordt het pand met zorgvuldigheid gerestaureerd. Het bijzondere interieur wordt zoveel mogelijk gehandhaafd en de huiselijke sfeer in ere hersteld. Trouwe medewerkers danwel stille krachten zorgen voor een langzame maar zekere opbouw van een nieuw klantenbestand. 

Geschiedenis Korte Nieuwstraat 6

In 1618 werd de Korte Nieuwstraat aangelegd op het terrein van de Paulusabdij, waardoor het Domplein en de Lange Nieuwstraat met elkaar verbonden werden. Al sinds 1050 stond de Paulusabdij op het terrein tussen de tegenwoordige Trans, de Korte Nieuwstraat, de Hamburgerstraat en de Nieuwegracht. De timmerman Gerrit Stoffelszn. Van Laer kocht in 1621 twee erven aan de Korte Nieuwstraat. Er stonden inmiddels drie huizen op deze erven; één daarvan was de voorganger van de Korte Nieuwstraat 6. Destijds een bescheiden huis met een trapgevel. Aan de achterzijde was een kleine plaats met daarachter, tegen de voorgevel van de abdijkerk, de vroegere keuken.

In 1707 werd de Pauluskerk grotendeels afgebroken. Nu kon het terrein van een aantal huizen aan de oostzijde van de Korte Nieuwstraat - waaronder ook het pand op nummer zes - naar achteren verlengd worden. Het huis kwam nu in het bezit van mr. Weijer Jan van Overmeer, procureur voor het Gerecht en notaris van het Hof van Utrecht. Hij wilde het oude huis aanpassen aan zijn stand en verving het in het eerste kwart van de 18e eeuw door het tegenwoordige.

Zijn dochter Catharina Magdalena kreeg het pand in 1765, na de dood van haar vader, overgedragen. Toen zij haar vier dochters, haar echtgenoot en tenslotte ook haar zoon overleefde, verkocht zij in 1807 het verhuurde huis. De koper was Gotlieb Friedrich Hitzemann. De bedstede op de meidenkamer, een bak in de kelder en een kippenhok in de tuin waren van de koop uitgezonderd omdat ze eigendom waren van de huurder, baron van Heeckeren van Brandsenburg. In 1827 trof de weduwe Ernestina Hitzeman-Reiter een regeling met de Domeinen: zij kreeg daarmee ook het eigendom van de achteruitgang naar de Hofpoort. Hetzelfde jaar nog verkocht zij het huis aan Jan de Kruiff.

Na zijn dood werd het pand uit boedel toebedeeld aan zijn zonen Jan en Jacob, boekhandelaar en pedel aan de Hogeschool, die tot hun dood aan de Korte Nieuwstraat bleven wonen. In het jaar 1900 lieten hun erfgenamen het huis veilen, zo kon Jacob Molenaar het voor een bescheiden som van fl.12.800,- kopen. In 1937 werd een perceel tuin met opstal aan de Hofpoort aangekocht. Tenslotte kreeg het complex in 1948 de tegenwoordige omvang door aankoop van het aangrenzende huis Korte Nieuwstraat 8, waar onder andere de nieuwe keuken werd geïnstalleerd.

Recent is een gedeelte van de binnenplaats van Korte Nieuwstraat 8 overdekt zodat de herentoiletten konden verdwijnen uit de gang (!) en is een aanbouw gerealiseerd om de afwaskeuken conform moderne eisen te scheiden van de productiekeuken. Beide panden zijn een Rijksmonument en staan onder regelmatig toezicht van de Utrechtse Monumentenwacht.